De eerste keer dat ik hem weer in de ogen keek was tijdens een familieopstelling. Ik sprak de woorden: ‘lieve opa ik leef nog een tijdje en dan kom ik ook.’
Hij is vandaag al ruim 30 jaar dood, mijn opa. De vader van mijn moeder. De man die mij zo gevormd heeft. En toch kan ik me elke dag met hem verbonden voelen. Ik draag zijn ring, maar vooral draag ik zijn invloed. Ik ben door hem gevormd, gevoed en gedragen. Als baby, als kleuter, peuter, zelfs tot na mijn pubertijd. In de zomervakantie ging ik graag 4 weken naar hem toe. Wij met zijn tweeën en zijn draaiorgel op pad. Als ik bij hem was, deed niets buiten ons er meer toe.
Ik ben door hem gevormd, gevoed en gedragen
Toen hij begon te dementeren droeg hij een briefje in zijn portemonnee waarop stond wat ik ging studeren, zodat hij dat trots aan mensen kon vertellen. Mijn afstuderen als Werktuigbouwkundig ingenieur heeft hij nooit mogen meemaken. Met zijn beginnende dementie vroeg mijn moeder hem niet meer auto te rijden. Dus ging hij fietsen. Hij is tussen de voor en achterwielen van een rijdende vrachtwagen gevallen.
Van de weken daarna weet ik niets meer. Ik liep verdwaasd rond. Op een bepaalde manier had niets meer zin. Maar ja, je moet wel je bed uit en naar school enzo. Ik sloeg me er doorheen, het was tenslotte niet mijn eerste verlies. Mijn stiefvader hadden we ook al begraven.
Tot die dag, jaren later, dat ik voor het eerst mijn opa in een familieopstelling mocht plaatsen. De ingenieur in mijn dacht dat dat toch vooral een ander mens is dat een rolletje mag spelen. Maar ik werd ferm gegrepen door het gevoel dat niet zomaar iemand mijn opa mocht representeren. Dit was van de hoogste orde. Toen ik tegenover hem stond in de opstelling, wérden zijn ogen de ogen van mijn opa. De ingenieur in mij werd stil, muisstil. Alsof die ook in de gaten had dat dit wezenlijk was. Ingenieurs weten dat je niet aan de ziel moet willen rekenen. Dat getallen alles kunnen platslaan.
Ingenieurs weten dat je niet aan de ziel moet willen rekenen
Ik kwam thuis in zijn ogen en huilde tranen zoals ik dat nog niet eerder had gedaan. Dieper, wezenlijker, echter, waarachtiger, oprechter, ja zelfs dat zweverige voor ingenieurs verboden woord; helend.
De rust in mijn lijf die volgde toen de tranen stopten, was onbeschrijflijk. In zekere zin bewoon ik sindsdien mijn lijf. Dat lijf dat een kwart van de genen van mijn opa draagt.
Als ingenieur ben ik niet gaan werken, het individueel begeleiden en opstellen greep me zo dat het nu al twintig jaar mijn werk is.
Foto: Scott Greer, Unsplash